De financiële dienst staat het gemeentebestuur bij in de voorbereiding en uitvoering van het financieel beleid.

Takenpakket:
- Advies en opmaak van de gemeentebegroting en het financieel meerjarenplan.
- Opmaak van de gemeenterekening.
- Betalen van alle binnenkomende facturen en innen van de ontvangsten.
- Opstellen en opvolgen van de belastingkohieren.
- Opmaken en uitbetalen van de toelagen.

De bevolking zal hoofdzakelijk met deze dienst geconfronteerd worden inzake gemeentebelastingen, toelagen en huren gemeentelijke zalen.


Contactpersoon: Greet Fockedey
Adres: Gemeentehuis Zuienkerke
Kerkstraat 17, 8377 Zuienkerke
Telefoon: 050 / 43.20.50
Fax : 050 / 43.20.59

e-mail : greet.fockedey@zuienkerke.be

 

Contactpersoon belastingen, huur zalen, toelagen : Ann Michiels

adres: Kerkstraat 17 8337 Zuienkerke

telefoon : 050/43.20.53

e-mail: ann.michiels@zuienkerke.be

 


Taksen betalen is niet prettig. Het is van levensbelang voor het financieel gezond houden
van een uitgestrekte gemeente zoals Zuienkerke, met een beperkt aantal inwoners. Het gemeentebestuur draagt er zorg voor om uiterst behoedzaam met de voorziene middelen om te springen.

 

Vastgesteld door de gemeenteraad: 29/12/2016  

 Geldigheidsduur: 01/01/2017 - 31/12/2017

 


Opcentiemen onroerende voorheffing

Art. 1.

Voor het aanslagjaar 2017 wordt er ten bate van de gemeente 1.800 opcentiemen op de onroerende voorheffing gevestigd.

 Art. 2.

Deze opcentiemen zullen ingevorderd worden door het Agentschap van de Vlaamse belastingdienst, onroerende voorheffing, Vaartstraat 16, 9300 Aalst.

 Art. 3.

Indien geen bezwaren ingediend worden tijdens het openbaar onderzoek zal deze beslissing als definitief aanzien worden en voor kennisgeving overgemaakt worden aan de bevoegde overheid.

 

Vastgesteld door de gemeenteraad: 29/12/2016 

 Geldigheidsduur: 01/01/2017 - 31/12/2017 

 

Aanvullende belasting op de personenbelasting.

Art.1.

Er wordt voor het aanslagjaar 2017 een aanvullende belasting gevestigd ten laste van de rijksinwoners die belastbaar zijn in de gemeente op 1 januari van het aanslagjaar.

Art.2.

De belasting wordt vastgesteld op 7% van de overeenkomstig artikel 466 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 berekende grondslag voor hetzelfde aanslagjaar.

Deze belasting wordt gevestigd op basis van het inkomen dat de belastingplichtige heeft verworven in het aan het aanslagjaar voorafgaande jaar.

 Art. 3.

De vestiging en de inning van de gemeentelijke belasting zullen door toedoen van het bestuur van de directe belastingen geschieden, overeenkomstig de bepalingen vervat in de artikelen 466 e.v. van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.

Art. 4.

Deze beslissing wordt naar de toezichthoudende overheid gezonden.


Vastgesteld door de gemeenteraad: 29/12/2016 

 Geldigheidsduur: 01/01/2017 - 31/12/2017 

 

Belasting ophalen huisvuil

 
Art.1

Er wordt voor het aanslagjaar 2017 beginnend op 1 januari 2017  en eindigend op 31 december 2017 , een jaarlijkse gemeentebelasting gevestigd op het ophalen van huishoudelijke en daarmee gelijkgestelde afvalstoffen.


Art. 2

De belasting is hoofdelijk verschuldigd door de leden van ieder gezin ingeschreven in de bevolkingsregisters en werkelijk in de gemeente verblijvend op 1 januari van het aanslagjaar of geteld als hebbende een tweede verblijf voor datzelfde jaar, op een adres gelegen langs de omloop die door de ophaaldienst gevolgd wordt.
De belasting is tevens verschuldigd door de uitbater van een vakantiepark per vakantiewoning.
De belasting is tevens verschuldigd door de campinguitbaters per kampeerplaats.

 
Art.3.

De belasting is eveneens verschuldigd door ieder natuurlijk persoon of hoofdelijk door de leden van elke vereniging die op 1 januari van het belastingjaar een zelfstandig of vrij beroep uitoefenen of door ieder natuurlijk en rechtspersoon die op dezelfde datum als hoofd- en/of bijkomende  een commerciële, industriële, landbouw- of dienstverlenende activiteit uitoefent op het grondgebied  van de gemeente, op een adres gelegen langs de omloop die door de ophaaldienst gevolgd wordt. Indien het gezin van de belastingplichtige op hetzelfde adres is gehuisvest, is de belasting evenwel éénmaal verschuldigd.


Art.4.

De belasting wordt vastgesteld op:

             20 euro voor een alleenstaande
            40 euro per gezin+tweede verblijf
            40 euro handelszaak
            40 euro per woongelegenheid in vakantiepark
            10 euro per kampeerplaats


Art.5.

Voor het ophalen van huisvuil wordt het uitsluitend gebruik van behoorlijk toegebonden standaard plastiek zakken (75 liter of 45 liter) met een maximum gewicht van 25 kg.verplicht gesteld. Per ophaalbeurt mogen 4 zakken meegegeven worden Deze zakken zijn bruin van kleur en dragen als opschrift  " IVBO - ZUIENKERKE “. Deze zakken mogen slechts eenmaal gebruikt worden. Voor de zelfstandigen zijn groene bedrijfsafvalzakken voorzien met een maximum van 6 rollen per jaar. De zakken kunnen bekomen worden in het gemeentehuis.

Gevulde dozen en kratten, niet reglementaire zakken en vuilnisbakken worden niet meer toegelaten. Deze mogen ook niet zelf in de vuilniswagen worden gegooid. Onder huisvuil wordt huishoudelijk afval verstaan met uitzondering van:

- glazen flessen, glazen recipiënten of glaswaren;
- metalen voorwerpen, stenen en vaste materialen die het mechanisme van de wagen kunnen beschadigen;
- alle dingen die het voorwerp zijn van selectieve ophalingen of die in afzonderlijke containers kunnen gedeponeerd worden of die het personeel letsel zouden kunnen toebrengen, zoals K.G.A., medicamenten, vloeibare olie, injectienaalden enz...

De zakken worden aangekocht bij het personeel van de reinigingsdienst tijdens de ophaling, bij de technische dienst, ten gemeentehuize of in de erkende handelszaken.


Art.6.

De belasting wordt ingevorderd bij wege van een kohier dat vastgesteld wordt en uitvoerbaar verklaard wordt door het College van Burgemeester en Schepenen.

Art.7.

De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.Dit aanslagbiljet wordt onverwijld aan de belastingschuldige overhandigd.

Art.8.

De belastingschuldige kan bezwaar indienen tegen deze belasting bij het College van Burgemeester en Schepenen.Het bezwaar moet worden gemotiveerd en schriftelijk worden ingediend. Het moet, op straffe van verval, worden ingediend binnen een termijn van drie maanden  te rekenen van de derde werkdag volgend op de datum van de verzending van het aanslagbiljet of vanaf de kennisgeving van de aanslag.


Art. 9.

De belasting wordt geheven voor de ophaling langs de openbare wegen met inbegrip van degenen die via een private toegangsweg rechtstreeks of onrechtstreeks naar de openbare weg, de mogelijkheid hebben huisvuil te deponeren, zelfs al maken zij geen gebruik van de dienst voor het ophalen van huisvuil.


Art. 10.

Indien er geen bezwaren ingediend worden tijdens het openbaar onderzoek zal deze beslissing als definitief aanzien worden en voor kennisgeving overgemaakt worden aan de bevoegde overheid.


 

Vastgesteld door de gemeenteraad: 29/12/2016 

 Geldigheidsduur: 01/01/2017 - 31/12/2017 


Niet-bebouwde gronden

Belasting niet-bebouwde gronden gelegen in een niet-vervallen verkaveling


Art. 1.

Er wordt voor het aanslagjaar 2017 , beginnend op 1 januari 2017  en eindigend op 31 december 2017 een gemeentebelasting gevestigd op de niet-bebouwde percelen, gelegen  in een niet-vervallen verkaveling.

Als niet-bebouwd perceel wordt beschouwd elk perceel, als zodanig vermeld in de verkavelingvergunning, waarop de oprichting van een voor bewoning bestemd gebouw niet is aangevat op 1 januari van het aanslagjaar.


Art. 2.

De belasting is verschuldigd door de eigenaar op 1 januari van het aanslagjaar ; in geval van overdracht onder levenden, wordt de hoedanigheid van eigenaar beoordeeld op de datum van de authentieke akte tot vaststelling van de overdracht.

In geval van mede-eigendom, is ieder mede-eigenaar belastingplichtig voor zijn wettelijk deel.


Art. 3.

De belasting wordt vastgesteld op 15 euro per strekkende meter lengte van het perceel palende aan een al dan niet verwezenlijkte weg die voorkomt in de verkavelingvergunning, met een minimum van 125 euro per perceel, elk gedeelte van een meter wordt als een volle meter beschouwd.

Wanneer een perceel aan verscheidene wegen paalt, is de langste gevellengte langs één van deze wegen de grondslag van de belastingsberekening.

Wanneer het perceel begrepen is in een afgesneden  hoek, gevormd door twee wegen, is de belastbare lengte gelijk aan de langste van de rechte gevellengten, vermeerderd met de helft van de afgesneden hoek.

De bedragen vermeld in dit artikel zijn gekoppeld aan de evolutie van de ABEX-index. Ze worden jaarlijks aangepast aan het ABEX-indexcijfer van de maand november die aan de aanpassing voorafgaat.


Art. 4.

Met betrekking tot de percelen begrepen in verkavelingen waarvoor voor de eerste maal een verkavelingvergunning werd of wordt afgegeven, is de belasting toepasselijk:

- vanaf 1 januari van het tweede jaar dat volgt op de afgifte van de vergunning, wanneer de verkaveling geen werken omvat;

- vanaf 1 januari van het tweede jaar dat volgt op het einde van de voorgeschreven werken en lasten, in de andere gevallen.

Het einde van de werken wordt vastgesteld door het College van Burgemeester en Schepenen


Art. 5.

Enkel de vrijstellingen opgenomen in dit artikel zijn van toepassing :

  1. de eigenaars van één enkel onbebouwd perceel bij uitsluiting van enig ander onroerend goed. Deze vrijstelling geldt alleen maar gedurende de vijf kalenderjaren volgend op de verwerving van het goed. Ze geldt gedurende de vijf aanslagjaren die volgen op de inwerkingtreding van de belastingverordening, indien het goed op dat tijdstip reeds verworven is;
  2. de Vlaamse Huisvestingmaatschappij en de door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij erkende sociale huisvestingsmaatschappijen;
  3. de verkavelaars, indien de verkavelingvergunning geen werken omvat, en dit gedurende het jaar dat volgt op het jaar waarin de verkavelingvergunning werd toegekend;
  4. de verkavelaars, indien de verkavelingvergunning  werken omvat, en dit gedurende het jaar dat volgt op het jaar waarin het attest, bedoeld in artikel 101 § 3, werd toegekend; bedoeld wordt het attest van het college van burgemeester en schepenen waaruit blijkt dat alle in de verkavelingvergunning opgelegde voorwaarden en lasten zijn uitgevoerd of dat voor de uitvoering van de lasten een afdoende financiële waarborg is gestort in handen van de gemeenteontvanger of in zijn voordeel op onherroepelijke wijze door een bankinstelling is verleend;
  5. de ouders met kinderen ten laste, beperkt tot één onbebouwd perceel per kind ten laste. Ook deze vrijstelling geldt alleen maar gedurende de vijf kalenderjaren die volgen op de verwerving van het goed. Zij geldt gedurende de vijf aanslagjaren die volgen op de inwerkingtreding van de belastingverordening, indien het goed op dat tijdstip reeds verworven is;
  6. de percelen die ingevolge de bepalingen van de wet op de landpacht, niet voor bewoning kunnen worden bestemd.


Art. 6.

De belastingplichtige ontvangt vanwege het gemeentebestuur een aangifteformulier dat door hem, behoorlijk ingevuld en ondertekend, voor de erin vermelde vervaldatum moet worden teruggestuurd.

De belastingplichtige  die geen aangifteformulier heeft ontvangen, is gehouden, uiterlijk op 31 maart van het belastingjaar, aan het gemeentebestuur de voor de aanslag noodzakelijke gegevens ter beschikking te stellen.


Art. 7.

Bij gebreke van een aangifte of bij onvolledige, onjuiste of onnauwkeurige aangifte wordt de belastingplichtige van ambtswege belast volgens de gegevens waarover het gemeentebestuur beschikt, onverminderd het recht van bezwaar en beroep. Vooraleer over te gaan tot de ambtshalve vaststelling van de belasting, betekent het college aan de belastingplichtige, per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting.

De belastingplichtige beschikt over een termijn van dertig dagen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van de betekening om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen.


Art. 8.

De overeenkomstig artikel 7 ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met een bedrag gelijk aan de verschuldigde belasting.Het bedrag van deze verhoging wordt ingekohierd.


Art. 9.

De belasting wordt ingevorderd bij wege van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het College van Burgemeester en Schepenen.


Art. 10.

Aan de belastingplichtige wordt onverwijld een aanslagbiljet toegezonden.


Art. 11.

De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.


Art. 12.

De belastingschuldige kan inzake de belasting bezwaar indienen bij het College van Burgemeester en Schepenen.Het bezwaar moet worden gemotiveerd en schriftelijk worden ingediend. Het moet, op straffe van verval, worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet of vanaf de kennisgeving van de aanslag. Van het bezwaarschrift wordt een ontvangstbewijs afgegeven.


Art. 13.

Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008 , gewijzigd bij decreet dd. 28/05/2010 en 17/02/2012 zijn  de bepalingen van  titel VII, hoofdstuk 1,3,4,6 tot en met 9 bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en artikel 126 tot en met 175 van het uitvoeringsbesluit van dat wetboek van toepassing op de provincie- en gemeentebelastingen, voor zover ze niet specifiek de belastingen op de inkomsten betreffen. .

 Art.14.

Indien er geen bezwaren ingediend worden tijdens het openbaar onderzoek zal deze beslissing als definitief aanzien worden en voor kennisgeving overgemaakt worden aan de bevoegde overheid.



Belasting niet -bebouwde gronden gelegen in gebied bestemd voor wonen


Art. 1.

Er wordt voor het aanslagjaar 2017, beginnend op 1 januari 2017  en eindigend op 31 december 2017 een belasting gevestigd op de niet-bebouwde percelen, gelegen in gebieden, bestemd voor wonen volgens het plannenregister en palend aan een openbare weg die voldoende uitgerust is.


Art.2.

Als niet- bebouwde grond wordt beschouwd elke grond waarop de oprichting van een voor bewoning bestemd gebouw niet is aangevat op 1 januari van het aanslagjaar.


Art.3
.

De belasting slaat op het eigendom en is verschuldigd door diegene die volgens de authentieke akte op 1 januari van het aanslagjaar eigenaar is. In geval van recht van opstal of van recht van erfpacht is de belasting verschuldigd door de opstalhouder of de erfpachter terwijl de eigenaar hoofdelijk mede de belasting verschuldigd is. Wanneer sommige mede-eigenaars van de belasting vrijgesteld zijn, terwijl zulks niet het geval is voor andere mede-eigenaars, dan mag de belasting slechts gevorderd worden van de niet –vrijgestelde mede-eigenaars in verhouding tot hun deel in het perceel.

In geval van overdracht van eigendom is de nieuwe eigenaar de belasting verschuldigd met ingang op 1 januari van het aanslagjaar dat volgt op de datum waarop de overdracht van rechten onder partijen volgens de authentieke akte heeft plaats gehad.


Art. 4

De belasting wordt vastgesteld op 15 euro per strekkende meter lengte van de grond palende aan de weg, met een minimum van 125 euro; elk gedeelte van een meter wordt als een volle meter beschouwd.

Wanneer een grond aan verscheidene wegen paalt, is de langste gevellengte langs één van deze wegen de grondslag van de belastingberekening.

Wanneer het een hoekperceel betreft, dan wordt de grootste gevelbreedte in aanmerking genomen, desgevallend vermeerderd met de helft van de afgeronde of afgesneden hoek.

De bedragen vermeld in dit artikel zijn gekoppeld aan de evolutie van de ABEX-index. Ze worden jaarlijks aangepast aan het ABEX-indexcijfer van de maand november die aan de aanpassing voorafgaat.


Art.5

Zijn van de belasting ontheven :

  1. De eigenaars van één enkele onbebouwde grond bij uitsluiting van enig ander onroerend goed.Deze vrijstelling geldt alleen maar gedurende de vijf aanslagjaren die volgen op de verwerving van het goed.
  2. De Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW) en de door de VMSW erkende sociale huisvestingsmaatschappijen.
  3. De ouders met kinderen ten laste, beperkt tot één onbebouwde grond per kind ten laste. Ook deze vrijstelling geldt alleen maar gedurende de vijf aanslagjaren die volgen op de verwerving van het goed.
  4. De gronden waarop krachtens een overheidsbeslissing niet mag worden gebouwd of de gronden die werkelijk voor land- of tuinbouw worden gebruikt. De vrijstelling voor gronden die werkelijk voor land- of tuinbouw worden gebruikt, geldt slechts indien deze gronden volledig en het hele jaar met dat oogmerk aangewend worden.

      Deze vrijstellingen wijken af van de bepalingen van het grond- en pandendecreet.

Art.6

De gronden die belastbaar zijn krachtens de belastingverordening op de niet-bebouwde percelen, gelegen in een niet-vervallen verkaveling, vallen niet onder de toepassing van onderhavige verordening.


Art. 7.

De belastingplichtige ontvangt vanwege het gemeentebestuur een aangifteformulier dat door hem, behoorlijk ingevuld en ondertekend, voor de erin vermelde vervaldatum moet worden teruggestuurd.

De belastingplichtige  die geen aangifteformulier heeft ontvangen, is gehouden, uiterlijk op 31 maart van het belastingjaar, aan het gemeentebestuur de voor de aanslag noodzakelijke gegevens ter beschikking te stellen.


Art. 8.

Bij gebreke van een aangifte of bij onvolledige, onjuiste of onnauwkeurige aangifte wordt de belastingplichtige van ambtswege belast volgens de gegevens waarover het gemeentebestuur beschikt, onverminderd het recht van bezwaar en beroep. Vooraleer over te gaan tot de ambtshalve vaststelling van de belasting, betekent het college aan de belastingplichtige, per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting.

De belastingplichtige beschikt over een termijn van dertig dagen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van de betekening om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen.


Art. 9.

De overeenkomstig artikel 7 ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met een bedrag gelijk aan de verschuldigde belasting. Het bedrag van deze verhoging wordt ingekohierd.


Art. 10.

De belasting wordt ingevorderd bij wege van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het College van Burgemeester en Schepenen.


Art. 11.

Aan de belastingplichtige wordt onverwijld een aanslagbiljet toegezonden.


Art. 12.

De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.

 

Art. 13.

De belastingschuldige kan inzake de belasting bezwaar indienen bij het College van Burgemeester en Schepenen. Het bezwaar moet worden gemotiveerd en schriftelijk worden ingediend. Het moet, op straffe van verval, worden ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet of vanaf de kennisgeving van de aanslag. Van het bezwaarschrift wordt een ontvangstbewijs afgegeven.


Art. 14.

Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008 , gewijzigd bij decreet dd. 28/05/2010 en 17/02/2012, zijn  de bepalingen van  titel VII, hoofdstuk 1,3,4,6 tot en met 9 bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en artikel 126 tot en met 175 van het uitvoeringsbesluit van dat wetboek van toepassing op de provincie- en gemeentebelastingen, voor zover ze niet specifiek de belastingen op de inkomsten betreffen.”  .


Art.15.

Indien er geen bezwaren ingediend worden tijdens het openbaar onderzoek zal deze beslissing als definitief aanzien worden en voor kennisgeving overgemaakt worden aan de bevoegde overheid.


Vastgesteld door de gemeenteraad: 29/12/2016 

 Geldigheidsduur: 01/01/2017 - 31/12/2017 



Dansgelegenheden


Art. 1.

Er wordt voor het aanslagjaar 2017  een jaarlijkse gemeentebelasting gevestigd op de dansgelegenheden.

Is belastingplichtig elke natuurlijke persoon, publiek- privaatrechtelijke rechtspersoon of vereniging die op het grondgebied van de gemeente Zuienkerke in de door hem geëxploiteerde zaak danspartijen organiseert of laat plaatsvinden, ongeacht of de aanwezigen daarvoor toegangsgeld of enige andere geldelijke bijdrage onder welke vorm ook dienen te betalen;

De belasting is hoofdelijk verschuldigd door de exploitant van de dansgelegenheid, ongeacht of hijzelf verantwoordelijk is voor het organiseren van de danspartijen die in zijn zaak plaatsvinden en ongeacht het bestaan van elke daarmee strijdige overeenkomst tussen de exploitant en de organiserende derde.


Art. 2.

De aanslagvoeten worden als volgt bepaald:

       - gelegenheden die geen dancing zijn en waar uitsluitend danspartijen

         plaatsvinden ter gelegenheid van private familiefeesten:

       250 euro - cat.A.

       - dancings of gelegenheden waar gedanst wordt:

       620 euro - cat. B.

 

Art. 3.

Alle exploitanten van dancings of van gelegenheden waar gedanst kan worden, dienen, ongeacht of zij er al dan niet toe werden uitgenodigd, een aangifte te onderschrijven op de door de gemeente ter beschikking gestelde formulieren.

De aangifte moet ingediend worden bij de gemeente uiterlijk tegen 15 maart voor de dansgelegenheden die vanaf de eerste maand van het kalenderjaar geopend zijn, en voor de overige dansgelegenheden voor de eerste danspartij van het kalenderjaar plaatsvindt.

 

Art. 4.

Bij gebreke van een aangifte of bij onvolledige, onjuiste of onnauwkeurige aangifte wordt de belastingplichtige van ambtswege belast volgens de gegevens waarover het gemeentebestuur beschikt, onverminderd het recht van bezwaar en beroep. Vooraleer over te gaan tot de ambtshalve vaststelling van de belasting, betekent het college aan de belastingplichtige, per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting.

De belastingplichtige beschikt over een termijn van dertig dagen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van de betekening om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen.

 

Art. 5.

De overeenkomstig artikel 4 ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met een bedrag gelijk aan de verschuldigde belasting. Het bedrag van deze verhoging wordt ingekohierd.

 

Art. 6.

De belasting wordt ingevorderd bij wege van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het College van Burgemeester en Schepenen.

 

Art. 7.

Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008 , gewijzigd bij decreet dd. 28/05/2010 en 17/02/2012, zijn  de bepalingen van  titel VII, hoofdstuk 1,3,4,6 tot en met 9 bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en artikel 126 tot en met 175 van het uitvoeringsbesluit van dat wetboek van toepassing op de provincie- en gemeentebelastingen, voor zover ze niet specifiek de belastingen op de inkomsten betreffen.”  .

 

Art. 8.

De belasting moet betaald worden binnen de twee maanden na verzending van het aanslagbiljet.

 

Art. 9.

Geen teruggave of ontlasting van belasting wordt verleend indien de zaak wordt overgelaten. Nochtans wordt in geval van overlating de voor het betrokken jaar reeds betaalde belasting geacht betaald te zijn door de nieuwe exploitant; deze laatste is er echter toe gehouden te voldoen aan de in deze verordening voorgeschreven aangifteplicht.

 

Art. 10.

De belastingschuldige kan inzake de belasting bezwaar indienen bij het College van Burgemeester en Schepenen.Het bezwaar moet worden gemotiveerd en  schriftelijk worden ingediend. Het moet, op straffe van verval, worden ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet of vanaf de kennisgeving van de aanslag.

Van het bezwaarschrift wordt een ontvangstbewijs afgegeven.

 

Art. 11.

Indien er geen bezwaren ingediend worden tijdens het openbaar onderzoek zal deze beslissing als definitief aanzien worden en voor kennisgeving overgemaakt worden aan de bevoegde overheid.

 




Vastgesteld door de gemeenteraad: 29/12/2016 

 Geldigheidsduur: 01/01/2017 - 31/12/2017 

Te huur stellen van kamers

 

Art. 1.

Vanaf 1 januari 2017 tot 31 december 2017 wordt ten behoeve van de gemeente Zuienkerke een jaarlijkse belasting geheven ten laste van de personen( eigenaars, huurders of onderverhuurders) die in hotels, pensions, vakantiehuizen, villa’s, bungalows of appartementen, kamers te huur stellen aan personen die niet hun hoofddomicilie hebben te Zuienkerke. De onvergelde terbeschikkingstelling van kamers, studio's of andere vertrekken aan andere personen dan bloed- of aanverwanten van de eerste graad van de eigenaars of huurders, wordt met inhuurgeving gelijkgesteld.


Art. 2.

De belasting wordt geheven per kamer, uitgezonderd keuken (als dusdanig ingericht), badkamer en halls, welke zich in bovenvermelde inrichtingen bevinden.


Art. 3.

De belasting beloopt per te huur gestelde woon- en slaapkamer 40 euro.


Art. 4.

Zijn van de belasting ontslagen:

a) de door de staat erkende onderwijsgestichten en de weldadigheidsinstellingen, opgericht met zuiver menslievende doeleinden, buiten elke hoop op winstbejag.
b) klinieken, hospitalen en medische instituten die erkend zijn door het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin.
c) de schoolkolonies en tehuizen voor zwakke kinderen, ingericht en uitgebaat zonder het minste winstgevend doel en erkend door Kind en Gezin.


Art. 5.

De exploitanten van de belastbare inrichtingen zijn ertoe gehouden jaarlijks voor 1 mei, aan het gemeentebestuur een aangifte te laten geworden, waarin per verdieping het aantal wordt vermeld van de woon- en slaapkamers die zullen te huur gesteld worden. Voor inrichtingen die slechts na 30 april van het belastingsjaar voor de eerste maal opengesteld worden, alsmede voor de villa's en woningen die slechts na 30 april van het belastingsjaar voor de eerste maal te huur worden gesteld, dient de bedoelde aangifte minstens 24 uur voor de opening of het te huur stellen te worden verstrekt.

De belastingplichtigen zijn er in elk geval toe gehouden het gemeentebestuur binnen de 24 uur in kennis te stellen van de veranderingen die zich eventueel na het verrichten van hun aangifte in hun inrichtingen kunnen voordoen en die van aard zijn de te hunnen laste te vestigen aanslag te wijzigen.

Art. 6.

Alle personen die bij de tehuurstelling van kamers en villa's, appartementen, woonhuizen, hotels en pensions, alsmede van studio's als tussenpersonen optreden (houders van verhuurkantoren, agentschappen e.d.) zijn op dezelfde wijze en in dezelfde voorwaarden als de exploitanten der belastbare inrichtingen tot aangifte gehouden.

De belastingplichtige(n)of hun vertegenwoordigers zoals voornoemd, moeten ten allen tijde op verzoek van de met controle belaste agenten van het gemeentebestuur, het bewijs leveren van de nauwkeurigheid van hun aangifte.

 

Art.7.

Bij gebreke van een aangifte of bij onvolledige, onjuiste of onnauwkeurige aangifte wordt de belastingplichtige(n) van ambtswege belast volgens de gegevens waarover het gemeentebestuur beschikt, onverminderd het recht van bezwaar en beroep. Vooraleer over te gaan tot de ambtshalve vaststelling van de belasting, betekent het college aan de belastingplichtige(n), per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting.

De belastingplichtige beschikt over een termijn van dertig dagen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van de betekening om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen.

 

Art. 8.

De belasting wordt ingevorderd bij middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.

 

Art.9.

De overeenkomstig artikel 8 ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met een bedrag gelijk aan de verschuldigde belasting.Het bedrag van deze verhoging wordt ingekohierd.

 

Art.11.

De belastingschuldige kan inzake de belasting bezwaar indienen bij het College van Burgemeester en Schepenen.Het bezwaar moet worden gemotiveerd en schriftelijk worden ingediend. Het moet, op straffe van verval, worden ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet of vanaf de kennisgeving van de aanslag.Van het bezwaarschrift wordt een ontvangstbewijs afgegeven.

 

Art. 12.

Indien er geen bezwaren ingediend worden tijdens het openbaar onderzoek zal deze beslissing als definitief aanzien worden en voor kennisgeving overgemaakt worden aan de bevoegde overheid.


 

 

Vastgesteld door de gemeenteraad: 29/12/2016 

 Geldigheidsduur: 01/01/2017 - 31/12/2017 

 

Tweede verblijven

Art. 1.

Voor een termijn van één jaar, ingaande op 1 januari en eindigend op 31 december 2017, wordt ten voordele van de gemeente een jaarlijkse belasting geheven op de tweede verblijven.

 

Art. 2.

Onder  tweede verblijf wordt verstaan elke  private woongelegenheid die voor de eigenaar of de huurder ervan niet tot hoofdverblijf dient maar die op elk ogenblik door hem voor bewoning kan worden gebruikt;

De verklaring van hoofdverblijf  wordt enkel aanvaard wanneer het gedekt is door een inschrijving in de bevolkingsregisters van de gemeente Zuienkerke op 1 januari van het aanslagjaar.

Worden beschouwd als tweede verblijven :  landhuizen, bungalows, appartementen, grote of kleine weekendhuisjes of buitengoederen, optrekjes, chalets, wooncaravans of alle andere vaste inrichtingen.

 Als tweede verblijven worden niet beschouwd:

- de lokalen die uitsluitend bestemd zijn voor het uitoefenen van beroepsactiviteit;
- tenten, verplaatsbare caravans en woonaanhangwagens.

 

Art. 3.

De belasting is vastgesteld op 650 euro per jaar en per tweede verblijf en is verschuldigd door diegene die op 1 januari van het aanslagjaar eigenaar is van het tweede verblijf, ongeacht het feit of de eigenaar al dan niet in de gemeentelijke bevolkingsregisters is ingeschreven. De belastingplicht geldt ook wanneer het tweede verblijf verhuurd wordt of tijdelijk niet gebruikt wordt.

 

Art.4.

De belastingplichtige moet uiterlijk op 31 juli van het belastingjaar aangifte doen van het belastbaar tweede verblijf, door middel van het formulier vastgesteld door het gemeentebestuur. In geval van eigendomsverwerving in de loop van het jaar, dient de aangifte binnen de maand te geschieden.

 

Art. 5.

Bij gebreke van een aangifte of bij onvolledige, onjuiste of onnauwkeurige aangifte wordt de belastingplichtige van ambtswege belast volgens de gegevens waarover het gemeentebestuur beschikt, onverminderd het recht van bezwaar en beroep. Vooraleer over te gaan tot de ambtshalve vaststelling van de belasting, betekent het college aan de belastingplichtige, per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting.

De belastingplichtige beschikt over een termijn van dertig dagen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van de betekening om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen.

 

Art.6.

De overeenkomstig artikel 5 ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met een bedrag gelijk aan de verschuldigde belasting.Het bedrag van deze verhoging wordt ingekohierd.

 

Art.7.

De belasting wordt ingevorderd bij wege van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.

 

Art.8.

De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.

 

Art. 9.

De belastingschuldige kan inzake de belasting bezwaar indienen bij het College van Burgemeester en Schepenen.Het bezwaar moet worden gemotiveerd en schriftelijk worden ingediend.Het moet, op straffe van verval, worden ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet of vanaf de kennisgeving van de aanslag.

Van het bezwaarschrift wordt een ontvangstbewijs afgegeven.

 

Art. 10.

Ontsnappen aan het toepassingsveld van de onderhavige belasting: de tenten, verplaatsbare caravans, woonaanhangwagens. Deze woongelegenheden kunnen onderworpen worden aan de gemeentelijke belasting op het kamperen, waarvan de goedkeuring is opgedragen aan de Gouverneur, door 1,2° van het Koninklijk Besluit van 10.12.62, evenals de goedkeuring van de belasting op de kampeerterreinen.

 

Art. 11.

Bijaldien bepaalde toestanden vallen binnen het toepassingsveld van de jaarlijkse belasting op het te huur stellen van kamers en van de belasting op de tweede verblijven, dan wordt geopteerd voor de belasting op de tweede verblijven (gemeenteraadsbeslissing dd.28/06/82).

 

Art. 12.

Vrijstelling wordt verleend voor de lokalen waarin een niet in de gemeente domicilieerde persoon een beroepsactiviteit uitoefent.

 

Art.13.

Indien er geen bezwaren ingediend worden tijdens het openbaar onderzoek zal deze beslissing als definitief aanzien worden en voor kennisgeving overgemaakt worden aan de bevoegde overheid.
 


 

Vastgesteld door de gemeenteraad: 29/12/2016 

 Geldigheidsduur: 01/01/2017 - 31/12/2017 


Kampeerterreinen


Art. 1.

Voor een termijn van één jaar, beginnend op 1 januari 2017 en eindigend op 31 december 2017 wordt een gemeentebelasting geheven ten laste van de uitbaters van de kampeerterreinen, ongeacht of zij al dan niet houder zijn van een vergunning tot het uitbaten van een kampeerterrein.

 

Art. 2.

De belasting bedraagt forfaitair 40 euro per kampeerplaats ongeacht de duur van de bezetting.

 

Art. 3.

De belasting wordt ingevorderd bij wege van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.

 

Art. 4.

Indien eenzelfde toestand voor eenzelfde periode van het jaar binnen het toepassingsveld van het jaar binnen het toepassingsveld van onderhavige verordening of van deze op de tweede verblijven valt, is enkel de verordening op de kampeerterreinen van toepassing.

 

Art.5.

De belastingschuldige kan inzake de belasting bezwaar indienen bij het College van Burgemeester en Schepenen.

Het moet, op straffe van verval, worden ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet of vanaf de kennisgeving van de aanslag.

Van het bezwaarschrift wordt een ontvangstbewijs afgegeven.

Art. 6.

Indien er geen bezwaren ingediend worden tijdens het openbaar onderzoek zal deze beslissing als definitief aanzien worden en voor kennisgeving overgemaakt worden aan de bevoegde overheid.


 Vastgesteld door de gemeenteraad: 29/12/2016 

 Geldigheidsduur: 01/01/2017 - 31/12/2017 

 

Leegstand en verwaarlozing van gebouwen en woningen.

Artikel 1

§ 1: Er wordt voor het aanslagjaar 2017 een gemeentebelasting gevestigd op de woningen en gebouwen die op datum van 1 januari van het heffingsjaar gedurende minstens twaalf opeenvolgende maanden zijn opgenomen in het gemeentelijk leegstandsregister of op de gemeentelijke inventaris verwaarloosde gebouwen en/of woningen.

Het leegstandsregister wordt opgemaakt en bijgehouden overeenkomstig art. 2 en 3 van het gemeentelijk reglement op de inventarisatie van leegstaande en verwaarloosde woningen en/of gebouwen en indicaties ter bepaling van leegstand en van verwaarlozing, goedgekeurd in de gemeenteraad.

De inventaris verwaarloosde gebouwen en/of woningen wordt bijgehouden overeenkomstig art. 2 en 4 van het gemeentelijk reglement op de inventarisatie van leegstaande en verwaarloosde woningen en/of gebouwen en indicaties ter bepaling van leegstand en van verwaarlozing, goedgekeurd door de gemeenteraad.

  
§ 2. De belasting voor een leegstaande woning of een leegstaand gebouw of een verwaarloosde woning is ten vroegste verschuldigd vanaf het ogenblik dat die woning of dat gebouwen gedurende twaalf opeenvolgende maanden is opgenomen in het gemeentelijk leegstandsregister of op de gemeentelijke inventaris verwaarloosde gebouwen.

 
Artikel 2

Voor de toepassing van het belastingreglement wordt verstaan onder

  • gebouw: elk bebouwd onroerend goed dat zowel het hoofdgebouw als het bijgebouwen omvat met uitsluiting van bedrijfsruimten, vermeld in artikel 2, 1) van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten.

  • woning: elk onroerend goed of het deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande

  • woonhuis: elk bebouwd onroerend goed waarin zich één of meerdere woningen bevinden;

  • renovatie: de uitvoering van structurele ingrepen die vooral betrekking hebben op de stabiliteit, de bouwfysica of de veiligheid aan een woning of gebouw dat bestemd is om te worden bewoond.


Artikel 3

§ 1.De belasting is verschuldigd door de houder van het zakelijk recht betreffende het leegstaande gebouw, de leegstaande woning of het verwaarloosde gebouw of woning op het ogenblik dat de belasting van het aanslagjaar verschuldigd wordt.
Ingeval er een recht van opstal, erfpacht of vruchtgebruik bestaat, is de belasting verschuldigd door de houder van dat zakelijk recht van opstal, van erfpacht of van vruchtgebruik op het ogenblik dat de belasting van het aanslagjaar verschuldigd wordt.

§ 2.Ingeval van mede-eigendom zijn de mede-eigenaars hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de totale belastingschuld.
Ingeval er meerdere andere houders zijn van het zakelijk recht zijn deze eveneens hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de totale belastingschuld.
 
§ 3. De overdrager van het zakelijk recht moet de verkrijger ervan in kennis stellen dat het goed is opgenomen in het leegstandsregister en/of in het register verwaarlozing van gebouwen of woningen. Deze kennisgeving kan vervangen worden door een vermelding in de notariële akte.
Tevens moet de overdrager per aangetekend schrijven een kopie van de notariële akte bezorgen aan de gemeenten binnen twee maanden na het verlijden van de notariële akte. Deze kopie bevat minstens de volgende gegevens:

  • naam en adres van de verkrijger van het zakelijk recht en zijn eigendomsaandeel
  • datum van de akte, naam en standplaats van de notaris
  • nauwkeurige aanduiding van de overgedragen woning of het gebouw

Bij ontstentenis van deze kennisgeving wordt de overdrager van een zakelijk recht in afwijking van §1 als belastingschuldige beschouwd voor de eerstvolgende belasting die na de overdracht van het zakelijk recht wordt gevestigd.

Artikel 4

De belasting bedraagt

  • 1.100,00 euro voor een volledig gebouw of woonhuis
  • 100,00 euro voor een individuele kamer of studentenkamer zoals vermeld in
    artikel 2 § 1, eerste lid, 10° bis van de Vlaamse Wooncode
  • 400,00 euro voor elk overig gebouw of woning.

Indien een woning, gebouw of kamer is opgenomen op verschillende inventarissen is de voormelde belasting verschuldigd per afzonderlijke opname in een inventarislijst.
De belasting wordt t.o.v. het bedrag van het vorig heffingsjaar vermeerderd met 50% per bijkomende nieuwe termijn van twaalf maanden dat het gebouw of de woning op de inventaris staat.
Het aantal termijnen van twaalf maanden dat een gebouw of woning op de inventaris staat wordt herberekend bij overdracht van het zakelijk recht betreffende het gebouw of de woning.

Deze herberekening geldt niet voor overdrachten aan

  1. vennootschappen waarin de vroegere houder van het zakelijk recht participeert, rechtstreeks of onrechtstreeks, voor meer dan 10% van het aandeelhouderschap;

  2. bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad, tenzij in geval van overdracht bij erfopvolging of testament

Een handels- of praktijkruimte en dergelijke vallen onder het begrip “volledig gebouw of woonhuis”. Als enkel de ruimte op het gelijkvloers als leegstaand kan worden beschouwd en dit deel is “afsplitsbaar” van de rest van het gebouw, dan wordt die handels- of praktijkruimte als een volledig leegstaand gebouw belast, rekening houdend met de bepaling in art. 2.2.6§2 van het decreet grond- en pandenbeleid dat stelt dat “geen rekening wordt gehouden met woningen die deel uitmaken van een gebouw.
De appartementen boven de winkels, in een opbrengsthuis of in een appartementscomplex zijn te beschouwen als een “overige woongelegenheid”. Ook studio’s vallen onder het begrip “overige woongelegenheid”.

Artikel 5 
De vrijstellingen voorzien in het grond- en pandendecreet worden toegepast.
§ 1. Van de leegstandsheffing zijn vrijgesteld:

  1. de belastingplichtige die volle eigenaar is van één enkele woning, bij uitsluiting van enige andere woning

  2. - de belastingplichtige die in een erkende ouderenvoorziening verblijft. Het bewijs van het verblijf wordt geleverd door de erkende ouderenvoorziening waar de belastingschuldige verblijft, met dien verstande dat deze vrijstelling geldt voor een periode van drie jaar volgende op de datum van opname in de ouderenvoorziening

    - de belastingplichtige die voor een langdurig verblijf werd opgenomen in een psychiatrische instelling of in een ziekenhuis. Het bewijs van het langdurig verblijf wordt geleverd door de instelling of ziekenhuis waar de belastingschuldige verblijft.

    Deze vrijstellingen gelden enkel voor de houder van het zakelijk recht die eigenaar is van één woning welke hij als laatste bewoners als hoofdverblijfplaats gebruikte.

  3. De belastingplichtige waarvan de handelingsbekwaamheid beperkt werd ingevolge een gerechtelijke beslissing voor zover de belastingplichtige niet zelf de oorzaak is van de gerechtelijke beslissing.

  4. de belastingplichtige die minder dan één jaar zakelijk gerechtigde is van het gebouw of de woning met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt voor het aanslag jaar volgende op het verkrijgen van het zakelijk recht.

    Deze vrijstelling geldt niet in geval van overdracht aan:
    - vennootschappen waarin de vroegere houder van het zakelijk recht participeert, rechtstreeks of onrechtstreeks, voor meer dan 10% van het aandeelhouderschap.
    - bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad.

  5. De belastingplichtige die minder dan twee jaar zakelijk gerechtigde is via erfopvolging of testament van het gebouw of de woning, voor een periode van twee jaar vanaf het moment van overdracht van het zakelijk recht. Deze vrijstelling geldt uitsluitend voor bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad.


§2. Een vrijstelling van leegstandsheffing wordt verleend indien het gebouw of de woning:

  1. gelegen is binnen de grenzen van een door de bevoegde overheid goedgekeurd onteigeningsplan
  2. geen voorwerp meer kan uitmaken van een stedenbouwkundige vergunning omdat een voorlopig of definitief onteigeningsplan is vastgesteld
  3. krachtens decreet beschermd is als monument, of opgenomen is op een bij besluit vastgesteld ontwerp van lijst tot bescherming als monument, voor zover bij de bevoegde overheid een ontvankelijk verklaard restauratiepremiedossier is ingediend. In geval van een ontvankelijk verklaard restauratiepremiedossier, duurt de vrijstelling tot twee jaar na het einde van de termijn van behandeling van het restauratiepremiedossier;
  4. vernield of beschadigd werd ten gevolge van een plotse ramp, met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt gedurende een periode van drie jaar volgende op de datum van de vernieling of beschadiging;
  5. onmogelijk daadwerkelijk gebruikt kan worden omwille van een verzegeling in het kader van een strafrechtelijk onderzoek, een gerechtelijke procedure of omwille van een administratieve procedure die het effectief gebruik van het pand onmogelijk maakt, met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt gedurende een periode van twee jaar volgend op de aanvraag van de onmogelijkheid tot daadwerkelijk gebruik. Deze vrijstelling kan enkel worden toegekend als de ernst van de zaak de normale ingebruikname van het onroerend goed verhindert;
  6. gerenoveerd wordt blijkens een niet vervallen stedenbouwkundige vergunning voor stabiliteitswerken of sloopwerkzaamheden, met dien verstande dat deze vrijstelling slechts gedurende een termijn van drie jaar volgende op het uitvoerbaar worden van de stedenbouwkundige vergunning;
  7. het voorwerp uitmaakt van een overeenkomst met het oog op renovatie, verbeterings- of aanpassingswerkzaamheden in de zin van art. 18, §2 van de Vlaamse Wooncode (sociaal beheersrecht).

Uitsluitend de in onderhavig reglement vermelde vrijstellingen kunnen toegepast worden

Artikel 6.

§ 1.Van de heffing op verwaarlozing is vrijgesteld:

  1. de belastingplichtige die minder dan één jaar zakelijk gerechtigde is van het gebouw of de woning, met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt voor het aanslagjaar volgend op het verkrijgen van het zakelijk recht. Deze vrijstelling geldt niet in geval van overdracht:
    1. vennootschappen waarin de vroegere houder van het zakelijk recht participeert, rechtstreeks of onrechtstreeks, voor meer dan 10% van het aandeelhouderschap;
    2. bloed-of aanverwanten tot en met de derde graad.

      2. de belastingplichtige die minder dan twee jaar zakelijk gerechtigde is via erfopvolging of

          testament van het gebouw of de woning, voor een periode van twee jaar vanaf het moment van 

          overdracht van het zakelijk recht. Deze vrijstelling geldt uitsluitend voor bloed-en aanverwanten

          tot en met de derde graad.

 

§ 2.Een vrijstelling van de heffing op verwaarlozing wordt verleend indien het gebouw of de

woning:

    1. gelegen is binnen de grenzen van een door de bevoegde overheid goedgekeurd onteigeningsplan; vernield of beschadigd werd ten gevolge van een plotse ramp, met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt gedurende een periode van drie jaar volgend op de datum van de vernieling of beschadiging;
    1. gerenoveerd wordt blijkens een niet vervallen stedenbouwkundige vergunning voor stabiliteitswerken of sloopwerkzaamheden, met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt gedurende een termijn van drie jaar volgend op het uitvoerbaar worden van de stedenbouwkundige vergunning;
    1. het voorwerp uitmaakt van een overeenkomst met het oog op renovatie, verbeterings- of aanpassingswerkzaamheden in de zin van art. 18, §2 van de Vlaamse Wooncode (sociaal beheersrecht).
    1. Uitsluitend de in onderhavig reglement vermelde vrijstellingen kunnen toegepast worden.

Artikel 7.

Een vrijstelling van de heffing dient aangevraagd te worden. De houder van het zakelijk recht richt de gemotiveerde vraag tot vrijstelling via een aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs aan de bevoegde administratie uiterlijk binnen de maand na het versturen van de administratieve akte tot vaststelling van leegstand en/of verwaarlozing, en in voorkomend geval telkenmale uiterlijk binnen de maand na het verlopen van een periode van 12 maanden. de houder van het zakelijk recht die gebruik wenst te maken van een vrijstelling zoals beschreven in Art. 5 en 6, dient zelf hiervoor de nodige bewijsstukken voor te leggen aan de administratie.

 Artikel 8.

De vestiging en de invordering van deze belasting zal geschieden door middel van een kohier overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008, gewijzigd dd. 28.05.2010 en 17/02/2012.

 Artikel 9.

Onderhavige beslissing wordt toegestuurd aan de provinciegouverneur.



 

 

 Vastgesteld door de gemeenteraad: 29/12/2016 

 Geldigheidsduur: 01/01/2017 - 31/12/2017 

 

Belasting op weghalen en verwijderen van afvalstoffen, gestort of achtergelaten op daartoe niet voorziene plaatsen.

Art. 1.

Er wordt voor de aanslagjaar 2017 een gemeentebelasting gevestigd op het weghalen en verwijderen van afvalstoffen, gestort of achtergelaten op verboden plaatsen of verboden tijdstippen, in niet-reglementaire recipiënten of in strijd  met de scheidingsregels voor het afval.

Valt eveneens onder toepassing van onderhavig reglement het achterlaten van afval, van welke aard ook , naast de  daartoe voorziene gemeentelijke afvalbakjes.

Art. 2

De belasting is verschuldigd door de persoon die de afvalstoffen gestort of achtergelaten heeft. In voorkomend geval is de eigenaar van de afvalstoffen hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belasting.

Art. 3

De belasting wordt vastgesteld per speciale ophaalbeurt.

Het bedrag van de belasting wordt vastgesteld als volgt:

- 125 euro voor het ophalen en verwijderen van klein afval waaronder begrepen wordt: hondenpoep, blikken, flessen, papier, kleine verpakkingen, vuilniszakken, kartonnen dozen, groenafval.

- 250 euro voor het ophalen en verwijderen van groot afval waaronder begrepen wordt: alle afvalhoeveelheden groter dan 1m³, huisraad, TV’s, monitors, koelkasten, frigo’s, matrassen, meubilair, autobanden.

Art. 4

De belasting wordt contant geïnd tegen afgifte van een betalingsbewijs. Wanneer de contante inning niet kan worden uitgevoerd, wordt de belasting een kohierbelasting.

Art. 5

De belastingschuldige kan tegen deze belasting een bezwaar indienen bij het College van Burgemeester en Schepenen.

Het bezwaarschrift moet schriftelijk worden ingediend, gemotiveerd en ondertekend zijn.

Het bezwaarschrift kan via een duurzame drager worden ingediend indien het College van Burgemeester en Schepenen in deze mogelijkheid voorziet.

De indiening van het bezwaarschrift moet, op straffe van verval, gebeuren binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum van de contante inning, of wanneer de belasting een kohierbelasting wordt, binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet.

Van het bezwaarschrift wordt een ontvangstmelding afgegeven, binnen vijftien kalenderdagen na de indiening ervan.

Art. 6

Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008,gewijzigd bij decreet van 28 mei 2010 en 17 februari 2012, zijn de bepalingen van titel VII , hoofdstukken 1, 3, 4, 6 tot en met 9bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en de artikelen 126 tot en met 175 van het uitvoeringsbesluit van dit wetboek van toepassing voor zover niet specifiek de belastingen op de inkomsten betreffen.

Art. 7.

Deze beslissing wordt aan de toezichthoudende overheid overgemaakt.


 Vastgesteld door de gemeenteraad: 29/12/2016

 Bekendgemaakt op de website van Zuienkerke www.zuienkerke.be op 04/01/2017

 


Retributie huwelijksplechtigheid op zaterdag, zon- en feestdagen

Art. 1.

Ter vergelding van de kosten van ceremonieel bij huwelijken op zaterdag,zondag en feestdagen wordt een retributie gevorderd van hen in wiens voordeel of op wiens aanvraag de plechtigheid plaats heeft.

Art. 2.

De retributie wordt vastgesteld op 75 euro.

Art. 3.

De retributie is te betalen bij de aanvraag.

Art. 4.

De retributie wordt geheven voor een termijn van één jaar, met ingang van de goedkeuring en de bekendmaking van het huidig reglement en tot 31 december 2017.

Art. 5.

Onderhavig besluit wordt voor kennisgeving aan de provinciegouverneur toegestuurd.


  

 Vastgesteld door de gemeenteraad: 29/12/2016

 Bekendgemaakt op de website van Zuienkerke www.zuienkerke.be op 04/01/2017 

 

  

Retributie op ophalen van snoeiafval

Art. 1.

Voor het dienstjaar 2017 wordt een retributie gevestigd op het ophalen van snoeihout.

Art. 2.

Onder "snoeihout" wordt verstaan: takken afkomstig van het snoeien van bomen en heesters in een private tuin.

Art. 3.

Het aangeboden snoeihout moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

§ het mag maximaal twee weken gesnoeid zijn op datum van de ophaling.

§ het moet vrij zijn van doornen, wortelgestellen, tuinafval, stenen, ijzerdraad en alle andere vreemde materialen die een houtversnipperaar zouden kunnen beschadigen.

§ de maximale toelaatbare doormeter van de takken bedraagt 7 cm.

§ de takken moeten onderling in dezelfde richting gestapeld zijn en in bussels gebonden worden.

§ het binden van de bussels mag enkel gebeuren met een touw.

§ de lengte van een bussel mag maximaal 2 meter bedragen

Art. 4.

De retributie wordt forfaitair vastgesteld op 15 euro per ophaalbeurt.

Art. 5.

De hiernavolgende voorwaarden dienen te worden in acht genomen:

- de ophalingen geschieden uitsluitend op de door het gemeentebestuur vastgestelde data.
- het snoeihout dient de dag van de ophaling door de aanvrager op het voetpad tegen de rooilijn geplaatst te worden.

Art. 6.

De aanvrager is er toe gehouden het bedrag van de verschuldigde taks te betalen na ontvangst van de factuur opgemaakt door het gemeentebestuur.

Art. 7.

Deze verordening wordt aan de toezichthoudende overheid gezonden.


  

 Vastgesteld door de gemeenteraad: 29/12/2016

 Bekendgemaakt op de website van Zuienkerke www.zuienkerke.be op 04/01/2017 

 

Retributie op ophalen van grof huisvuil

Artikel 1.

Voor een termijn van 1 jaar, met ingang van de goedkeuring en de bekendmaking van het huidige reglement en tot 31 december 2017 wordt ten behoeve van de gemeente een retributie gevestigd op het ophalen van grof huisvuil.

Grof huisvuil zal op verzoek van de betrokkenen door de zorgen van de gemeentelijke reinigingsdienst worden opgehaald tegen betaling van een vergoeding.

Onder grof huisvuil wordt verstaan: huisraad, elektrische toestellen, matrassen enz... dat door de omvang niet in de gemeentelijke vuilniszakken kan verpakt worden.

Het grof huisvuil mag echter geen huisvuil bevatten.

Artikel 2.

De retributie wordt forfaitair vastgesteld op 25 euro per ophaalbeurt.

Artikel 3

De hiernavolgende voorwaarden dienen te worden in acht genomen:

- de ophalingen geschieden uitsluitend op de door het gemeentebestuur vastgestelde data.

- het grof huisvuil dient de dag van de ophaling door de aanvrager op het voetpad tegen de rooilijn geplaatst te worden.

- de ophalingsduur mag maximum 15 minuten bedragen, zoniet wordt de prijs van de retributie verhoogd naar het dubbele bedrag

Artikel 4

De aanvrager is er toe gehouden het bedrag van de verschuldigde taks te betalen na ontvangst van de factuur opgemaakt door het gemeentebestuur

Artikel 5.

Deze verordening wordt aan de toezichthoudende overheid toegezonden.



 

 Vastgesteld door de gemeenteraad: 29/12/2016

 Bekendgemaakt op de website van Zuienkerke www.zuienkerke.be op 04/01/2017  

 

Retributie ophalen rolcontainers voor groen- en tuinafval

Artikel 1

Voor het dienstjaar 2017 wordt een retributie gevestigd op het ophalen van groen- en tuinafval.

Artikel 2

Onder "groen- en tuinafval" wordt verstaan: grasmaaisel, klein snoeihout, haagscheersel, plantenresten, bladeren, verwelkte bloemen,…

Boomwortels, keukenafvoer, aarde en zand, plastiek, mest e.d. behoren niet tot groen- en tuinafval.

Artikel 3.

Het aangeboden gras- en tuinafval moet aangeleverd worden in een rolcontainer van 240 liter of 360 liter type IVBO die aangekocht kan worden via het gemeentebestuur.

Artikel 4

De retributie wordt forfaitair vastgesteld op 5 euro per ophaalbeurt voor een rolcontainer van 240 liter en 7 euro per ophaalbeurt voor een rolcontainer van 360 liter.

Artikel 5.

De hiernavolgende voorwaarden dienen te worden in acht genomen:

de ophalingen geschieden uitsluitend op afroep op de door het gemeentebestuur vastgestelde data twee maal per maand van maart t.e.m. november.

De rolcontainer met het groen- en tuinafval dient de dag van de ophaling door de aanvrager op het voetpad tegen de rooilijn geplaatst te worden.

Artikel 6

De aanvrager is er toe gehouden het bedrag van de verschuldigde taks te betalen na ontvangst factuur, opgemaakt door het gemeentebestuur.

Artikel 7

Deze verordening wordt voor kennisgeving overgemaakt aan de hogere overheid.



 

 Vastgesteld door de gemeenteraad: 29/12/2016

 Bekendgemaakt op de website van Zuienkerke www.zuienkerke.be op 04/01/2017 

 

Retributie voor afschriften van bestuursdocumenten


Artikel 1.

Er wordt een gemeentelijke retributie gevestigd voor de afgifte van afschriften van bestuursdocumenten aan particulieren en gemeenteraadsleden met ingang van de goedkeuring en de bekendmaking tot en met 31 december 2017.

Artikel 2.

De retributie is verschuldigd door de persoon met inbegrip van de gemeenteraadsleden die het afschrift vragen.

Artikel 3.

De retributie wordt vastgesteld als volgt:

Vanaf 20 kopieën wordt er 0,05 euro per bladzijde, A4 formaat zwart-wit aangerekend.

Artikel 4.

De retributie moet betaald worden bij de aanvraag.

Artikel 5.

Deze verordening wordt aan de toezichthoudende overheid toegezonden.


 

 

 

 Vastgesteld door de gemeenteraad: 29/12/2016

 Bekendgemaakt op de website van Zuienkerke www.zuienkerke.be op 04/01/2017 

 

 

Retributie voor het verstrekken van schriftelijke vastgoedinformatie

Artikel 1.

Er wordt voor een termijn van 1 jaar, met ingang van de goedkeuring en de bekendmaking van het huidig reglement en tot 31 december 2017 een gemeentelijke retributie gevestigd op het verstrekken van vastgoedinformatie aan notarissen en ander personen die daarom verzoeken.

Artikel 2.

De retributie is verschuldigd door de persoon die de inlichting vraagt.

Artikel 3.

De retributie wordt vastgesteld op 25 euro per aanvraag.

Artikel 4.

De retributie moet betaald worden na ontvangst van de factuur opgemaakt door het gemeentebestuur.

Artikel 5.

Deze verordening wordt aan de toezichthoudende overheid gezonden.

 


 


 Vastgesteld door de gemeenteraad: 29/12/2016

 Bekendgemaakt op de website van Zuienkerke www.zuienkerke.be op 04/01/2017 


Retributie deelname activiteiten van speelpleinwerking, sportdienst en jeugddienst

Artikel 1:

Met ingang van de goedkeuring en tot 31/12/2017 wordt volgende retributie geheven voor deelname aan activiteiten georganiseerd in het kader van:

§1: Speelpleinwerking:

- Dagactiviteit: € 2,00  tot € 7,00 per dag

- Daguitstappen: € 1,00 tot € 20,00  per dag.

Meerdaagse activiteit: € 5,00 tot € 50,00

§2: Activiteiten georganiseerd door sportdienst en jeugddienst:

- Dagactiviteit: € 1,00  tot € 30,00

- Meerdaagse activiteit van € 2,50 tot € 75,00

De effectieve te betalen retributie bedraagt nooit meer dan de reële kost van de activiteit aan de gemeente.

Artikel 2

Het bedrag van de retributie wordt op volgende wijze geïnd:

§1 Speelpleinwerking:

De aanvrager is er toe gehouden het bedrag van de verschuldigde taks te betalen na ontvangst factuur, opgemaakt door het gemeentebestuur.

§2 Activiteiten georganiseerd door sportdienst en jeugddienst:

De aanvrager is er toe gehouden het bedrag van de verschuldigde taks te betalen na ontvangst factuur, opgemaakt door het gemeentebestuur.

Artikel 3

Het retributiereglement wordt voor kennisgeving overgemaakt aan de hogere overheid.

 

 

 

 

 

 Vastgesteld door de gemeenteraad: 29/12/2016

 Bekendgemaakt op de website van Zuienkerke www.zuienkerke.be op 04/01/2017 


Retributie op het verstrekken van huisvuilzakken


Art. 1.
Er wordt voor het aanslagjaar 2017 een retributie geheven op het afleveren van huisvuilzakken.
Voor het afhalen van huisvuil worden huisvuilzakken met het opschrift ‘ Zuienkerke’ verplicht gesteld.

Art. 2
Volgende retributies zijn verschuldigd : 

  1. Bruine huisvuilzakken 75 liter                       20 euro per rol van 20 zakken
  2. Bruine huisvuilzakken 40 liter                       12 euro per rol van 20 zakken
  3. Groene bedrijfsafvalzakken                           20 euro per rol van 20 zakken
  4. Blauwe PMD zakken                                       5 euro per rol van 20 zakken 

Art. 3
De retributie wordt contant geïnd of op aanvraag na ontvangst factuur.

Art.4
Deze beslissing wordt aan de toezichthoudende overheid overgemaakt.